9 interessante vragen over erven

25 november 2016

 

Ik beschouw het kind van mijn partner als mijn kind, kan ik hem laten erven?
Stiefkinderen hebben geen wettelijk erfrecht. Toch zijn er manieren om je stiefkind te laten erven. Een eerste (verregaande) manier om ze een erfrecht toe te kennen is om van je stiefkind een wettelijke erfgenaam te maken door hem te adopteren. Door de adoptie krijgt het stiefkind dezelfde rechten als de eigen kinderen.

Minder verregaand is om het stiefkind te bevoordelen via een testament. De enige beperking daarbij is dat de “reserve” van de eigen kinderen geëerbiedigd moet worden. Zij hebben immers recht op een beschermd deel van de nalatenschap. Indien een stiefkind erft, zal hij in principe dezelfde successierechten moeten betalen als de eigen kinderen. In Vlaanderen moet er bij feitelijke samenwonden wel sprake zijn van een jaar gemeenschappelijke samenwoning. In Brussel zijn de regels strenger; daar moet de stiefouder al een paar jaar het stiefkind hebben opgevoed om aan gunstige tarieven te komen.

Mijn kinderen genieten al van een zeker comfort. Kan ik rechtstreeks een deel van mijn nalatenschap nalaten aan mijn kleinkinderen?
Grootouders kunnen uiteraard kiezen om een testament op te stellen ten voordele van hun kleinkinderen of een schenking te doen ten voordele van hun kleinkinderen.

Bovendien kan het opnemen van kleinkinderen in een testament fiscaal voordelig zijn. De erfenis wordt dan immers in verschillende “stukjes” gesplitst, waardoor er per tak finaal minder successierechten betaald moeten worden.

Na het openvallen van de nalatenschap van de grootouders, kunnen de kinderen ook zelf kiezen om hun nalatenschap te verwerpen. Daardoor treedt er “plaatsvervulling” op. De (klein)kinderen komen in de plaats van hun ouders. Hier ligt het initiatiefrecht bij de ouders (die een hele nalatenschap moeten verwerpen), niet bij de grootouders.

Eén van mijn kinderen is gehandicapt. Wat kan ik ondernemen om zeker te zijn dat hij niets tekort komt na mijn overlijden?
Er zijn verschillende mogelijkheden om het erfrecht van een zorgenkind te regelen. Een eerste toegepaste techniek is het zogenaamde restlegaat. Het restlegaat is een bepaling die aan een testament wordt toegevoegd waarbij dezelfde goederen door de testator opeenvolgend aan verschillend personen wordt toebedeeld. Eerst aan de eerste begunstigde, en bij overlijden van deze laatste aan een tweede begunstigde. Het is als het ware een tweetrapsprocedé. De tweede begunstigde krijgt dus slechts de rest, wat overblijft, van de eerste begunstigde. Hetzelfde systeem kan met een schenking. Dan spreken we van een “restschenking”. Zo kunnen de ouders van een kind als eerste begunstigde hun zorgenkind aanduiden en vervolgens als tweede begunstigde(n) de personen die zich over het kind hebben ontfermd.

Ouders kunnen daarnaast legateren of schenkingen doen onder last. Daarbij kan bedongen worden dat iemand bijvoorbeeld een geldsom slechts ontvangt onder last dat hij of zij voor het zorgenkind zorgt.

Een andere mogelijkheid is werken aan de hand van een stichting of een maatschap. Dit zijn eigenlijk controlestructuren die toelaten een kapitaal op maat te beheren. Wanneer de private stichting instaat voor het levensonderhoud van het kind, wordt het vermogen beheerd met het oog op het verwezenlijken van voldoende inkomsten, zodat het kind een menswaardig bestaan kan leiden. De leden van de stichting kunnen dan familieleden zijn, die het vermogen beheren. De statuten van de stichting kunnen in het voordeel van het zorgenkind opgesteld worden.

Ik kom niet overeen met mijn kinderen, kan ik alles nalaten aan mijn feitelijk samenwonende partner?
Vandaag genieten de kinderen hoe dan ook van een wettelijke reserve als het op erven aankomt. Dit betekent concreet dat je je kinderen niet kunt onterven. Je kan wel hun erfrechten herleiden tot een minimum (de wettelijke reserve) en het beschikbaar deel helemaal nalaten aan je partner. Indien je één kind hebt is naar Belgisch recht de helft van je vermogen voorbehouden voor je kind. Heb je twee kinderen, dan is dit al 2/3de, heb je drie kinderen of meer dan is dat al 3/4de

Ik heb geen familie, wie erft mijn goederen ?
Het erfrecht werkt met orden en graden. Concreet betekent dit dat de goederen worden verdeeld volgens een bepaalde rangschikking waarbij de kinderen in eerste orde komen. Indien iemand helemaal geen familie heeft, zal de notaris aanraden om te legateren aan een derde. Indien je dit niet doen, kan de Staat aanspraak maken op je erfenis.

Legateren aan een derde persoon (bijvoorbeeld een goede vriend) kan echter duur zijn want de successietarieven lopen hoog op. De notaris kan je wel aanraden om een duo-legaat op te stellen. Met een duo-legaat duid je twee begunstigden aan. De andere begunstigde, vaak een liefdadigheidsorganisatie, krijgt een deel van de nalatenschap maar verbindt zich er toe de successierechten te betalen, waardoor de ene begunstigde er netto meer aan overhoudt. Ondanks het betalen van de successierechten, erft ook de liefdadigheidsinstelling. Het is dus een win-win.

Ik wil hertrouwen, maar ik wil mijn kinderen daarbij niet benadelen. Kan dat?
Mensen die hertrouwen kiezen vaak voor een huwelijkscontract met de zogenaamde “Valkeniers-clausule”. Zo’n clausule kan gebruikt worden wanneer één of beide van de aanstaande echtgenoten reeds afstammelingen heeft uit een andere. Deze regeling staat bijgevolg enkel open voor gehuwden.
Met een Valkeniers-clausule kunnen de rechten van de langstlevende echtgenoot geregeld worden. Gehuwden erven immers vaak meer dan gewoon het vruchtgebruik op de gezinswoning. Met deze clausule kan de langstlevende verzaken aan bepaalde rechten, zoals verzaken aan het recht van vruchtgebruik van bepaalde rekeningen, verzaken om inbreng of inkorting te vorderen van aan de kinderen gedane schenkingen, verzaking aan erfrecht op goederen die aan de andere echtgenoot voordien geschonken werden als voorschot op erfdeel,…. Hoe dan ook zal de langstlevende wel steeds recht hebben op het vruchtgebruik van de gezinswoning en de inboedel. Dit kan zelfs met een Valkeniers-clausule niet ontnomen worden.

Wat betekent “langst leeft, al heeft” clausule?
In het wettelijk stelsel (dit is het stelsel waaronder de meeste echtgenoten zijn gehuwd) wordt bij ontbinding van het stelsel, bijvoorbeeld door overlijden, de gemeenschap in helften verdeeld. De ene helft komt toe aan de langstlevende echtgenoot, de andere helft valt in de nalatenschap van de eerststervende echtgenoot. Indien er kinderen zijn, komt deze helft dan toe voor het vruchtgebruik aan de langstlevende en voor de blote eigendom aan de kinderen.

Gehuwde koppels hebben echter dikwijls de wens dat volledig – of toch zoveel mogelijk – van hun vermogen bij overlijden toekomt aan de langstlevende van hen.
Zij moeten dan geen verantwoording afleggen aan hun kinderen zolang zij leven. Echtgenoten gehuwd onder een gemeenschapsstelsel, kunnen dit op een eenvoudige wijze bekomen door in een huwelijkscontract een "langst-leeft-al"-beding in te voegen. Dit gebeurt via een korte notariële akte. Dit heeft tot gevolg dat bij overlijden de volledige gemeenschap zal toekomen aan de langstlevende van de echtgenoten. Er is evenwel een fiscaal prijskaartje verbonden aan deze ingreep: hoe meer men verkrijgt, hoe zwaarder het toegepaste tarief en dus hoe hoger de totale erfenisrechten zullen zijn. 
Gelukkig is de gezinswoning wel vrij van erfbelasting maar bij het overlijden van de langstlevende van de beide echtgenoten zal op de volledige nalatenschap nog eens erfenisrechten moeten worden betaald door de kinderen.

Het keuzebeding vormt een tussenweg. Het komt hier op neer dat de beide echtgenoten overeenkomen in een huwelijkscontract dat de langstlevende van hen bij het overlijden van de eerststervende kan kiezen wat hij zal doen met het gemeenschappelijk vermogen, m.a.w. hoeveel de langstlevende echtgenoot zelf wenst te behouden en hoeveel hij al laat overgaan naar de volgende generatie. Het keuzebeding laat dus op dat vlak alle mogelijkheden open tot aan het overlijden van de eerststervende echtgenoot. Pas dan zal de langstlevende echtgenoot dienen te beslissen hoe het gemeenschappelijk vermogen wordt verdeeld.

Ik heb al jaren een slechte verstandhouding met mijn echtgeno(o)te, is er een mogelijkheid om hem/haar te onterven?
De wetgever heeft aan de langstlevende echtgeno(o)t(e) een wettelijk erfrecht toegekend, dat kan variëren naargelang de aanwezigheid van andere erfgenamen zoals kinderen, broers of zussen… Het absoluut minimum (d.i. de reserve) dat de langstlevende altijd moet krijgen, is ofwel het vruchtgebruik van de gezinswoning en de daarin aanwezige huisraad, ofwel de helft van het vermogen van de overledene in vruchtgebruik.

De wetgever heeft voorzien in een uitzondering waarbij je je echtgeno(o)t(e) wel volledig kan onterven. Hierbij moet strikte formaliteiten en cumulatieve voorwaarden gerespecteerd worden:
- De echtgeno(o)t(e) kan enkel via een testament onterfd worden;
- De echtgenoten moeten minstens 6 maanden feitelijk gescheiden leven;
- De persoon die zijn echtgeno(o)t(e) wil onterven, moet het recht om apart te wonen via de rechter aanvragen. Het louter instellen van dergelijke vordering voor de rechter is voldoende, ongeacht wat de rechter nadien over uw vraag beslist.
- Na het instellen van deze vordering mag je niet opnieuw samen wonen met uw echtgeno(o)t(e).

Indien beide echtgenoten elkaar willen onterven, moeten ze elk apart aan de boven vermelde voorwaarden voldoen. Met andere woorden: ze moeten beiden een gerechtelijke vordering instellen, het onterven gebeurt niet automatisch!

Een ander geval waarin een onterving mogelijk is, is wanneer een echtscheidingsprocedure door onderlinge toestemming lopende is en één van de echtgenoten overlijdt tijdens deze procedure. Voor dit geval kan in de voorafgaande overeenkomsten worden bepaald dat de echtgenoten op elkaars nalatenschap geen énkel recht (ook niet meer hun reserve) kunnen laten gelden.

Wat houdt een beding van aanwas bij aankoop van een onroerend goed in?
Een beding van aanwas is een overeenkomst waarbij twee of meer personen die een onroerend goed bezitten of verwerven overeenkomen dat het deel van de eerststervende zal toekomen aan de overlevende(n).

Omdat men niet vooraf weet wie als eerste zal overlijden, hebben we te maken met een kanscontract: de langstlevende, die uiteindelijk alleen eigenaar wordt van het goed, had ook als eerste kunnen overleden zijn… Dit is ook de reden waarom geen prijs meer moet betaald worden n.a.v. het overlijden van de eerststervende(n). Het beding van aanwas dient een evenwaardig karakter van de prestaties van alle contractanten tot uiting te laten komen, waarbij de winst- of verlieskansen afhankelijk zijn van een toevallige maar zekere gebeurtenis, nl. het overlijden van één van de contractanten. De kansen zullen bijvoorbeeld als ongelijk beschouwd worden als de kans van de ene om te overleven veel groter is dan bij de andere omwille van het leeftijdsverschil tussen de eigenaars. In dit geval zou het beding van aanwas als een schenking kunnen worden beschouwd.

Het beding van aanwas kan fiscale voordelen hebben omdat er op het deel van de eerstoverledene geen successierechten verschuldigd zijn, maar wel dezelfde belasting als destijds betaald bij aankoop, hetzij dus 12,5%of 6% hetzij voor Vlaanderen 10% of 5%.

Hoewel het eventueel fiscaal voordeel belangrijk kan zijn, wordt het beding van aanwas meestal aangewend omwille van de mogelijkheden op burgerrechtelijk vlak.

Door gebruik van het beding van aanwas (als evenwichtig kanscontract), valt het aandeel van de eerststervende niet in diens nalatenschap en kunnen de erfgenamen (bijvoorbeeld de kinderen of de ouders) er geen rechten op laten gelden, zelfs niet hun reserve.  Zo kan het beding van aanwas aangewend worden door feitelijk samenwonenden, die niet automatisch erven van elkaar. De erfgenamen van de eerststervende zullen niet noodzakelijk  erven van de langstlevende zodat de goederen die het voorwerp hebben uitgemaakt van het beding van aanwas in dat geval definitief verdwijnen uit het vermogen van de familie van de eerststervende. Dit nadeel kan ondervangen worden door een beding van aanwas beperkt tot het vruchtgebruik van het betrokken goed te gebruiken.

Het beding van aanwas kan, tenzij anders werd overeengekomen, slechts verbroken worden met het akkoord van alle betrokkenen, nooit eenzijdig. Dit is een zeer belangrijk gevolg. Met andere woorden betekent dit dat iemand die gekocht heeft met het aanwasbeding zijn aandeel nooit meer eenzijdig kan vervreemden aan een derde. Dit is zeker een zware rem op de onbeperkte toepassing van het beding van aanwas. Daarom dat men in de akte meestal in een opzegmogelijkheid voorziet.

 

Bron: Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat

 

5 misverstanden over het kopen van een woning

21 november 2016

 

Misverstand 1: Een verkoopovereenkomst is een voorlopige overeenkomst, de authentieke akte maakt de verkoop definitief.
Je hoort wel vaker dat mensen de term “voorlopige” verkoopovereenkomst gebruiken. Dit begrip is misleidend; Een verkoopovereenkomst, ook onderhandse overeenkomst of “compromis” genoemd, is allesbehalve voorlopig. Vanaf het moment dat een koper een akkoord heeft gesloten met de verkoper over het onroerend goed en de prijs ervan, ontstaan er verbintenissen tussen de partijen. Merk op dat dit zelfs het geval kan zijn als er nog niets op papier staat. Voorzichtigheid is dus ook geboden bij het maken van mondelinge afspraken of afspraken via sms met de verkoper.

De voorlopige verkoopovereenkomst vormt de basis voor de authentieke akte. Zo moeten in de verkoopovereenkomst reeds bepaalde clausules worden voorzien (bijvoorbeeld in verband met stedenbouw, bodemreglementering, de watertoets…) Het is bijgevolg essentieel om je al in de fase van de verkoopovereenkomst goed te laten bijstaan door een deskundige. Heb je al een verkoopovereenkomst gesloten? Laat die dan zeker nalezen door een notaris. Hij zal dit kosteloos doen als hij naderhand wordt gelast met het verlijden van de authentieke akte.

Misverstand 2: Het voorschot dat ik betaal, geeft enkel zekerheid aan de verkoper.
Het is in ons land zeer gebruikelijk dat de verkoper aan de koper een voorschot vraagt. Dit bedraagt meestal 10%. Je zou kunnen denken dat het betalen van een voorschot enkel een voordeel verschaft aan de verkoper die op die manier zeker is dat hij al een stukje van zijn geld ziet. Dit klopt niet helemaal.

Het betalen van het voorschot kan ook belangrijk zijn voor de koper. Bij een aankoopdossier moet jouw notariskantoor immers tal van opzoekingen verrichten om zeker te zijn dat de aankoop veilig en rechtsgeldig gebeurt. Zolang dit niet zeker is, wordt het voorschot van de koper niet doorgestort naar de verkoper. Het geld staat als het ware “geparkeerd” op een beschermde derdenrekening waar de partijen niet aan kunnen raken. Deze rekening wordt beheerd door het notariskantoor, maar de gelden komen hem geenszins toe. Aangezien het voorschot nog niet aan de verkoper wordt bezorgd, kunnen zijn eventuele schuldeisers zich evenmin op dit bedrag verhalen.

Indien een aankoopprocedure om één of andere reden toch niet door kan gaan, en dit los van de wil van de koper, dan is hij zeker dat hij zijn voorschot terugkrijgt. Omgekeerd geldt deze regel ook voor de verkoper. De derdenrekening van de notaris beschermt dus beide partijen.

Misverstand 3: Het grootste deel van wat ik betaal, komt bij de notaris terecht.
De kost die het grootste aandeel vormt in de totale aankoopkosten vormen de verschuldigde belastingen, vooral de registratierechten. Deze bedragen in Vlaanderen 10% en in Brussel 12,5% van de totale aankoopprijs (verhoogd met de bedongen lasten en bedragen). Een serieuze hap dus.

Bij de aankoop van een woning stort je deze bijdragen echter niet rechtstreeks door naar de fiscus. Het notariskantoor zal de totaliteit innen en doorstorten naar de belastingontvanger. De koper kan dus de indruk hebben dat hij een enorm bedrag stort aan zijn notariskantoor, terwijl het grootste deel in werkelijkheid belastingen zijn.

De notaris heeft wel recht op een ereloon voor zijn verrichte diensten. Dat ereloon is echter wettelijk vastgesteld, de notaris zal dus nooit werken met een uurtarief. Hij zal altijd gebonden zijn aan dat ereloon.

Misverstand 4: Ik heb geen hypothecaire lening, dus ik heb geen hypotheekkosten.
Aan iedere aankoop van een onroerend goed zijn er bepaalde “hypotheekkosten” verbonden. De naam doet misschien het omgekeerde vermoeden, maar deze kosten hebben op zich niets te maken met het aangaan van een hypothecaire lening. Een koper die een woning koopt na een erfenis of een schenking van een som geld zal dus ook deze kosten moeten betalen. Waarom?

Een koop ontstaat bij het akkoord tussen de partijen. hierdoor heeft de koop echter enkel gevolgen tussen de verkoper en de koper. Om zeker te zijn dat de buitenwereld ook kennis krijgt van de verkoop van het onroerend goed, is een bepaalde publiciteit nodig. Deze publiciteit gebeurt in de vorm van een overschrijving op het hypotheekkantoor van de authentieke akte.

Door deze overschrijving weet iedereen, of beter, behoort iedereen te weten dat het onroerend goed nu eigendom is van de nieuwe koper. De overeenkomst wordt “tegenwerpelijk”, wat betekent dat derden nu rekening moeten houden met het bestaan van de overeenkomst. Dit heeft zeer belangrijke gevolgen: Schuldeisers van de vroegere eigenaar kunnen géén beslag meer leggen op het goed en een andere koper die misschien eerder werd aangesproken, kan géén aanspraak meer maken op het goed. Dit is een essentiële stap in de aankoopprocedure, maar aan deze stap zijn ook bepaalde kosten verbonden.

Misverstand 5: Je notariskantoor bepaalt hoe snel een aankoopdossier afgehandeld wordt.
Een woning kopen is méér dan het ondertekenen van een document. Een aankoopdossier verloopt immers volgens specifieke stappen. De notaris en zijn medewerkers zullen van A tot Z alle opzoekingen moeten uitvoeren om uiteindelijk te komen tot een authentieke akte. Zo moet worden  nagegaan wat de oorsprong is van het onroerend goed (wie de vorige eigenaars waren), kadastrale opzoekingen doen, sociale en fiscale opzoekingen verrichtingen, attesten opvragen…

Daarvoor heeft het notariskantoor inlichtingen nodig van tal van andere actoren zoals de gemeente, het hypotheekkantoor, de fiscus, de administraties, eventueel de syndicus van een appartementsgebouw en ga zo maar door. Deze actoren zijn allemaal betrokken bij een bepaalde stap in het aankoopdossier. Zij zijn op hun beurt gebonden aan bepaalde termijnen, en deze termijnen kunnen nu eenmaal verschillende weken in beslag nemen. Het notariskantoor zal al het mogelijke doen om een aankoopdossier af te ronden binnen een redelijke termijn, maar het vlot verloop van een aankoopdossier hangt af van tal van verschillende factoren waar het kantoor niet steeds een invloed op heeft.

Heb je vragen over het verloop van je dossier? Aarzel dan niet om meer informatie te vragen aan je notariskantoor.

 

 

Bron: Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat

 

Een garage verhuren? Denk aan de btw!

2 november 2016

 

Veel mensen zien vastgoed als de ideale belegging. In vastgoed investeren betekent echter niet altijd dat je op zoek moet gaan naar een huis of een appartement. Zo zijn parkings en garages de laatste jaren ook een interessant investeringsinstrument geworden. Het verhuren van een garage op een ideale locatie kan immers een aardig centje opleveren. Hoe zit het met het fiscaal plaatje?

Btw-plichtig
Volgens het wetboek btw zijn bepaalde leveringen van goederen en bepaalde diensten onderworpen aan de btw-verplichtingen. Ook het ter beschikking stellen van een “stalling” voor voertuigen valt expliciet onder deze diensten. De btw-regelgeving geldt in principe niet voor de verhuur van onroerende goederen. Een woning verhuren zal je dus met andere woorden niet btw-plichtig maken, ook al verhuur je de woning samen met een garage.

Evenwel geldt een specifieke regel voor de verhuur van garages afzonderlijk: De verhuur van deze onroerende goederen maakt je wél btw-plichtig, zelfs als je een particulier bent en geen onderneming. Om onderworpen te zijn aan btw moet er dan wel sprake zijn van een “economische” activiteit. Dit betekent dat je als particulier op regelmatige en zelfstandige wijze je garage te huur moet aanbieden.

Wat betekent “btw-plichtig”?
Na het verkrijgen van een ondernemingsnummer door de Kruispuntbank van Ondernemingen, moet iedereen die btw-(plichtige)activiteiten uitoefent een btw-nummer aanvragen. Een btw-plichtige moet bovendien een paar verplichtingen naleven. Om te beginnen moet je als btw-plichtige het bevoegd btw-kantoor op de hoogte brengen van je activiteiten. Daarnaast moet je ook periodiek btw-aangiften indienen, de aangerekende btw aan klanten (of in ons geval huurders) doorstorten aan de Staat, een jaarlijkse klantenlisting indienen, een minutieuze boekhouding bijhouden en ten slotte facturen aan je huurders afleveren. Daar staat tegenover dat je recht hebt op een aftrek van btw tegenover je leveranciers.

Je hoort het al… een hele klus voor iemand die zijn garage wil laten renderen door ze te verhuren.

Vrijgestelde btw-plichtige
Btw-plichtig zijn kan gepaard gaan met een hele rompslomp. Gelukkig heeft de wetgever bepaalde categorieën belastingplichtigen vrijgesteld van de verplichtingen rond btw.

Zo zal je géén rekening moeten houden met de btw-verplichtingen indien de omzet die je haalt uit het verhuren van de garage(s) minder dan 25.000 euro bedraagt per jaar. Heel vaak zal iemand die investeert in een paar garages met oog op het verhuren ervan niet aan dit grensbedrag komen.

Wel nog steeds een btw-nummer vragen!
Indien je onder het grensbedrag valt, zal je als verhuurder bijgevolg geen btw moeten aanrekenen aan je huurder(s) en zal je evenmin aangiften moeten doen. Dit neemt echter niet weg dat je nog steeds een btw-plichtige bent in de zin van de wet. Een btw-nummer aanvragen zal dus nog verplicht zijn!

Normaal beheer van uw vermogen
De vrijstelling om aan de btw-verplichtingen te voldoen geldt enkel in het kader van een persoon of een onderneming die zijn garage(s) verhuurt in het kader van een “normaal beheer van zijn patrimonium”. Maak je van het verhuren van garages je “hoofdactiviteit”, dan zal de fiscus wél aan de deur komen kloppen en riskeer je dat je huurinkomsten worden belast als diverse inkomsten of als beroepsinkomsten.

En wat met de regels rond de huurovereenkomst?
Weet dat het verhuren van een garage slechts onderworpen is aan de regels van het “gemeen” huurrecht, en niet onder de specifieke regels die dwingend gelden voor het verhuren van woningen. Dit betekent dat je voor het opstellen van een huurovereenkomst met betrekking tot de verhuur van een garage veel meer vrijheid hebt bij het bepalen van diverse aspecten van je overeenkomst. Denk daarbij aan opzeggingstermijnen, de duur van je overeenkomst of nog de wijze waarop de overeenkomst kan worden beëindigd.

Geïnvesteerd in een garage en van plan om deze te verhuren? Weet dat je als verhuurder van een garagebox volgens de wet btw-plichtig bent. Dit betekent niet dat je btw moet aanrekenen aan je huurder of dat je periodieke aangiften zult moeten doen; In veel gevallen zal je van deze verplichtingen vrijgesteld worden. Vergeet wel niet dat je nog steeds een btw-nummer moeten vragen. Dit kan gemakkelijk online gedaan worden via de site van FOD Financiën.

 
 

Bron: Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat